Recht van grootouders op omgangsregeling met kleinkinderen blijft beperkt: wetsvoorstel van tafel

Recht van grootouders op omgangsregeling met kleinkinderen blijft beperkt: wetsvoorstel van tafel

Inhoudsopgave

[inhoudsopgave]
Bekijk ook

Recht van grootouders op omgangsregeling met kleinkinderen blijft beperkt: wetsvoorstel van tafel

Stel dat jouw kind het contact tussen jou en je kleinkind(eren) tegenhoudt: kun je in dat geval als grootouder een omgangsregeling met je kleinkind(eren) verzoeken? Ja, maar dit is niet eenvoudig. Met het wetsvoorstel Wet drempelverlaging omgang grootouders (hierna: het wetsvoorstel) beoogde de wetgever deze hoge drempel te verlagen. Minister-president Rob Jetten heeft echter op 20 maart 2026 in een brief aan de Eerste Kamer laten weten dat het wetsvoorstel zal worden ingetrokken.

Waar het er korte tijd op leek dat grootouders eenvoudiger bij de rechter een omgangsregeling zouden kunnen afdwingen, blijft de huidige – relatief strikte – wettelijke regeling in stand.

In dit blog wordt ingegaan op het doel en de inhoud van het wetsvoorstel, de redenen voor intrekking en de gevolgen voor de rechtspositie van grootouders.

 

Achtergrond en aanleiding wetsvoorstel

Op 17 mei 2023 werd het wetsvoorstel ingediend naar aanleiding van knelpunten die naar voren kwamen uit het WODC-onderzoek ‘Omgang tussen grootouders en kleinkinderen, een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie’. Een van deze knelpunten betreft de conclusie dat het voor grootouders lastig is om in rechte een omgangsregeling met hun kleinkinderen af te dwingen.

Volgens de huidige wetgeving (art. 1:377a Burgerlijk Wetboek) kunnen grootouders de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen. Daarbij gelden de volgende twee voorwaarden:

  1. Ten eerste beoordeelt de rechter of de grootouders ontvankelijk zijn in hun verzoek;
  2. Indien daaraan is voldaan, beoordeelt de rechter vervolgens of omgang ook in het belang van het kind

Als aan beide voorwaarden is voldaan, stelt de rechter een omgangsregeling vast.

Voor ontvankelijkheid is vereist dat sprake is van ‘een nauwe persoonlijke betrekking’ tussen het kind en de grootouder(s). Daarvoor moeten zij concrete feiten en omstandigheden aantonen waaruit die nauwe persoonlijke betrekking blijkt. Het moet gaan om méér dan het gebruikelijke contact tussen grootouders en kleinkinderen. Te denken valt aan inwoning bij de grootouder(s) of een grootouder die een substantiële rol in de verzorging en opvoeding van het kind heeft. Dergelijk structureel en intensief contact bewijzen is niet eenvoudig.

Aanvankelijk werd met het begrip ‘nauwe persoonlijke betrekking’ aansluiting gezocht bij het Europese begrip ‘family life’ uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In de loop der tijd zijn deze begrippen echter uiteen gaan lopen. Voor ‘family life’ is bijvoorbeeld geen inwoning vereist; ook regelmatig en betekenisvol contact kan al voldoende zijn.

Bovendien ligt de drempel voor het verkrijgen van een omgangsregeling met een kleinkind in Nederland hoger dan in omringende landen. Zo is in België slechts het zijn van een ‘juridische grootouder’ (de juridische ouder van een juridische ouder) al voldoende om een verzoek tot een omgangsregeling in te kunnen dienen.

Onderzoekers van het WODC kwamen dan ook tot de aanbeveling om de drempel te verlagen door in de rechtspraktijk een andere invulling te geven aan het begrip ‘nauwe persoonlijke betrekking’.

 

Inhoud wetsvoorstel drempelverlaging omgang grootouders

Het wetsvoorstel beoogde de drempel te verlagen door als uitgangspunt te nemen dat grootouders een nauwe persoonlijke betrekking met hun kleinkinderen hebben. Hierdoor zouden zij in beginsel ontvankelijk zijn in hun verzoek en komt de rechter direct toe aan de inhoudelijke beoordeling: is een omgangsregeling in het belang van het kind?

Op 25 juni 2024 werd het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen. Op 10 maart 2026 vond behandeling in de Eerste Kamer plaats. Daar riep het voorstel echter veel vragen op.

Zo uitten verschillende woordvoerders zorgen dat het belang van het kind mogelijk onder druk zou komen te staan ten gunste van de belangen van grootouders. Ook werd betwijfeld of het wetsvoorstel noodzakelijk was en werd er gewezen op het risico van een toename van procedures, met verdere belasting van de rechtspraak als gevolg.

Verder zag het wetsvoorstel uitsluitend op juridische grootouders. Dit leidde tot kritiek, omdat sociale grootouders en andere nauwe familieleden – zoals bijvoorbeeld ooms en tantes – buiten de regeling zouden vallen.

Staatssecretaris Claudia van Bruggen beantwoordde de vragen van de Eerste Kamer, maar verzocht vervolgens om aanhouding van het wetsvoorstel. Een ruime meerderheid stemde daarmee in. Kort daarna, op 20 maart 2026, maakte minister-president Rob Jetten bekend dat het wetsvoorstel zal worden ingetrokken. Daarmee is er definitief een einde gekomen aan dit wetsvoorstel.

 

Wat betekent dit voor de praktijk?

De huidige regeling voor omgang tussen grootouders en kleinkinderen blijft ongewijzigd. Grootouders zullen nog steeds moeten aantonen dat sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ om ontvankelijk te zijn in een verzoek tot omgang. Regulier contact binnen de familiekring is daarvoor doorgaans onvoldoende.

Dit betekent dat de toegang tot de rechter voor grootouders in de praktijk beperkt blijft en dat veel verzoeken al stranden in de ontvankelijkheidsfase.

Wenst u meer informatie over dit onderwerp of wilt u weten wat dit in uw situatie betekent? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel deze pagina

Waar ben je naar op zoek?